Ik ben geen expert in economie, veeleer een totaal on-deskundige!
Dat kan evenwel geen beletsel zijn om toch over economie te schrijven. Het is veeleer een voordeel: het biedt me de mogelijkheid om zonder vooroordelen en technische beslommeringen het menselijk aspect van economie te benaderen.
Opdat er geen verkeerde conclusies zouden getrokken worden uit wat volgt wens ik op voorhand te specifiëren dat ik noch kapitalist, noch communist ben (om de twee polen te noemen) maar wél een solidarist (heeft niets te maken met Verdinaso maar met solidariteit met álle mensen).
Definities van welvaart en welzijn.
Welvaart: is de mate waarin de mens kan voorzien in zijn materiële wensen om steeds comfortabeler te leven.
Welzijn: is de mate waarin de mens in zijn materiële en geestelijke behoeften voorzien is om waardig te leven.
De woorden in schuine letters duiden onmiddellijk op de essentiële verschillen tussen welvaart en welzijn: kan - is, wensen - behoeften, comfortabel - waardig.
Het is het verschil tussen individueel en collectief, tussen wens en behoefte, tussen ongeremde jacht op steeds meer en wat voldoende is voor een waardig leven.
Welvaart is per definitie individueel en egocentrisch gericht: alle wensen kunnen nooit volledig vervuld worden zodat er steeds een gevoel blijft van gebrek en van afgunst (omdat een ander meer bezit). Dit leidt tot onverzadigbare hebzucht en 'concurrentie met de andere' waarbij volledige bevrediging onbereikbaar wordt.
Welzijn daarentegen is collectief en sociaal gericht: wanneer mensen voldoende hebben om waardig te leven is er ook niet de drang naar nog meer, vermits waardigheid insluit dat men aanvaardt dat anderen óók even-waardig kunnen leven.
Wat heeft dit nu met economie te maken? Antwoord: alles!
Om de simpele reden dat in de samenleving van de mensen, óók van hen die niets hebben, economie allesoverheersend is.
Bij primitieve stammen was/is economie een welzijnseconomie: elk lid werkt voor de hele dorpsgemeenschap, kinderen worden door de dorpsgemeenschap opgevoed, ouderen worden tot hun dood verzorgd. Alhoewel dergelijke gemeenschap niet beschikt over moderne verworvenheden is het gericht op het collectief gebruik van de beschikbare middelen voor het welzijn van élk lid. 'Economische' relaties met andere dorpen bestond/bestaat uit ruilhandel (= materiële, reële objecten).
Toen de dorpen uit hun isolement werden gehaald en door overheersende machten werden samengebracht in grote entiteiten (staten) verdween geleidelijk het reëel ruilobject en werd vervangen door een virtueel ruilmiddel: geld. Daarmee werd tegelijk welzijn vervangen door welvaart.
Het reëel ruilobject is iets wat men niet kan beleggen, waarmee men niet kan speculeren. Met geld kan dat wel. Met de uitvinding van het geld werd een machtsmiddel gecreëerd waarmee welvaart mogelijk werd, en niet alleen 'algemene' welvaart maar óók het middel om voor zichzelf de meeste welvaart toe te eigenen.
Sedert de industriële revolutie wordt de moderne mens met de regelmaat van een klok de slogan 'economische groei' rond de oren gekletst.
Economische groei is alleen maar mogelijk door toename van consumptie.
Het is evident dat wanneer er minder gekocht wordt er ook minder moet geproduceerd worden. Dat is dan economische krimp. Wil men groei dan moet er meer geconsumeerd worden Ergo: mensen moeten meer kopen. Hierbij wordt handig ingespeeld op het feit dat de welvaartsmens steeds meer wenst, vooral meer dan zijn gebuur en als het even kan evenveel als de superrijken (cfr. succes van soap operas,bv. Dallas). De twee middelen daartoe: reclame en leningen/kredieten.
Reclame, hoe stom meestal ook, is er op gericht de welvaartsmens te laten zien wat hij niet heeft, wat hij zou kunnen hebben, en hoe hij het kan bereiken (lening/krediet). Daarop is de hele economische groei gebaseerd. Wanneer de groei stagneert betekent dat niet dat de consument eindelijk tevreden is met wat hij heeft maar wel dat de limiet van zijn krediet-draagvermogen bereikt is. Dan rest er niets anders dan de klant toch te lokken met virtuele voordelen waarbij hij meer krediet opneemt dan hij kan dragen. Hierbij zijn industrie en krediet/leningverstrekkers (banken) twee handen op een buik.
De jacht op nog meer kredietnemers wordt dan verder aangewakkerd door 'premies voor de bereikte doelen' aan topmanagers die daarvoor alle grenzen van fatsoen overschrijden, en dit niet alleen omwille van hun amoreel hoge wedden en bonussen, maar ook en vooral omdat zij weten dat de klant vroeg of laat de sigaar is, omdat zij weten dat de meeste klanten voor een berg aflossingen staan die ze onmogelijk kunnen betalen.
Dan kan het ook niet anders dan dat het hele kaartenhuis plots in mekaar stort met een onrembaar sneeuwbaleffect:
* de eigen kredietinstelling komt eveneens in de problemen hetgeen een kettingreactie veroorzaakt in de hele wereld van kredietinstellingen en banken (zij zijn meestal financiëel aan mekaar gekoppeld);
* de doorsnee kredietnemer beschikt niet meer over de middelen om wat dan ook te kopen: afname van de consumptie;
* de industrie en de daaraan gekoppelde toeleveringsbedrijven zien hun bestellingen terugvallen en zijn verplicht hun productie te verminderen met massale ontslagen als gevolg;
* steeds meer bedrijven gaan failliet omdat óók zij werken met kredieten die ze niet meer kunnen afbetalen omwille van de daling van de omzet;
* gevolg: verdere stijging van de werkloosheid;
* werklozen kunnen hun leningen/kredieten niet meer betalen;
* kredietverleners komen nog meer in de penarie.
Daarmee is de vicieuze cirkel gesloten en komt er voor velen een einde aan hun welvaart.
Echter niet voor de graaiers en topmanagers! Alhoewel zij ook verliezen lijden hebben de meesten tijdens de gouden jaren van de 'economische groei' een dusdanig fortuin bij mekaar geschraapt dat ze tegen een stoot kunnen.
Niet zij vragen steun vanwege de staat (= belastingsgeld), maar wel de instellingen/bedrijven.
Ondertussen betalen ze met dat belastingsgeld wel hun eigen bonussen. Ondertussen verzetten ze zich wel tegen elke regulering, tegen elke controle op de besteding van het ontvangen belastingsgeld.
Onlangs meldden verschillende amerikaanse kredietinstellingen dat ze miljardenwinsten hebben geboekt en dat ze daarmee opnieuw bonussen kunnen uitbetalen: bonussen betaald door de belastingbetaler!
Samengevat: alle pogingen om de crisis te boven te komen zijn pogingen om de oude welvaartseconomie in zijn vroegere gedaante te herstellen.
Van welzijn en solidariteit met de minst bedeelden is helemaal geen sprake. Ondertussen zijn er wereldwijd al méér dan 1 miljard mensen die honger lijden, sterven er dagelijks méér dan 70.000 mensen (vooral kinderen) door honger, dorst en gebrek aan medische voorzieningen, zijn er miljoenen mensen op de vlucht uit ramp-en oorlogsgebieden.
Groene economie is een stap op de goede weg, maar is nog geen welzijnseconomie.
Welzijnseconomie is die economie die zowel de mens als zijn levensomgeving respecteert.
P.S. Er is één industrietak die blijkbaar niet heeft te lijden van de crisis: de wapenindustrie. Te oordelen naar de berichten over nieuwe wapens (oorlog met afstandsbediening) gaat het ze zéér goed! En dit alles óók met belastingsgeld. Wapenindustrie is Top Secret. Toch zou ik graag weten van legerleidingen en regeringen, die toch op de hoogte moeten zijn van bestellingen en leveringen, waar de enorme hoeveelheden wapens in handen van rebellen, drugsbenden, terroristen, enz., vandaan komen. Zijn zij de leveranciers om zo oorlogen, aanslagen, enz. gaande te houden en het inkomen van deze industrie te waarborgen?
Marc De Maesschalck
vrijdag 24 juli 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten